18 april 2013 – In de rubriek De Uitspraak in NRC Handelsblad van deze dag, gaat het om een rechtszaak over de (door-)verkoop van schilderijen. Een particulier verkoopt twee voor vierduizend euro aan een handelaar; de handelaar biedt ze korte tijd later voor vijftigduizend euro per stuk.

Leerzaam aan deze zaak is de wijze waarop tegen waarde wordt aangekeken. Want ook schilderijen zijn onderdeel van de Auteurswet: het is een werk van letterkunde, wetenschap of kunst.

De verkoper voelt zich “genomen”. Hij eist schilderij terug en vernietiging van het koopcontract op basis van dwaling of bedrog. Of twintigduizend euro in plaats van tweeduizend. De rechter wijst de eis toe.

De handelaar gaat in hoger beroep: de aankoop had immers correct plaatsgevonden. Enfin. De handelaar wint in hoger beroep, want beide partijen wisten vooraf dat het om schilderijen van Eversen ging en de verkoper had zich dus heus wel kunnen oriënteren over de prijs.

De rechter motiveert het als volgt: Waarde is “geen intrinsieke eigenschap” van een schilderij, maar uit de eigenschappen van een schilderij voortvloeit. Waarde is veranderlijk en “en kan verschillen in verschillende markten.”

Kortom: de rechter zegt dat waarde bijvoorbeeld afhankelijk is van modetrends (wat de gek ervoor geeft) èn in verschillende markten. Dus als kranten onderling elkaar 37 cent per woord berekenen voor het overnemen van artikelen (dat spaart letterlijk arbeidskracht op een redactie)  hoeft dat helemaal niet de waarde te zijn die een houder van een Feyenoord-website moet – en wil! – betalen voor een stuk uit de Telegraaf over zijn club, om dat op zijn site over te nemen.